maandag 6 juli 2009

Geraldinneke en de blinkiewoe



Geraldinneke is een paar weken terug ergens heen gewandeld. Ze kwam daar aan, vond het er best leuk en besloot om er - minstens voor even - te blijven.

Op het plekje waar Geraldinneke nu al enkele weken verblijft, zijn er heel veel dingen te zien die ze nooit eerder zag. En te voelen ook!

Zo is er iets wat van beneden naar boven loopt, met bobbeltjes op. Het is heel groot en lijkt op een boom. Maar toch is het geen boom, want er zit een hoek aan van 90°. En dat hebben bomen niet.
Om er gemakkelijk over te te kunnen vertellen, noemt Geraldinneke dat grote, van beneden naar boven lopende bobbeltjes-ding een boblie.

Er is ook een ding dat van heel ver links tot heel ver rechts en van heel ver achteraan tot heel ver vooraan loopt. Het is zacht en het wiebelt een beetje als ze er overheen loopt. Het lijkt heel erg op de grond, maar als je hierover loopt, voel je allemaal pluisjes. En die heeft de grond niet.
Om er gemakkelijk over te kunnen praten, noemt Geraldinneke dit een wieblie.

Soms beslist Geraldinneke om een keer van de boblie naar de wieblie te lopen en daar wat rond te kijken.
Kwam er de laatste keer plots een enorm, zwart, glimmend ding met daarin twee grote gaten vlakbij haar! Uit dat ding kwam warme, vochtige wind en daarna leek het of ze in zo'n gat gezogen zou worden. Dan kwam er weer warme wind en dan was er weer dat zuigen. En terug de wind en terug het gezuig en zo maar snel, snel door en door!!
Geen idee wat het was. Het leek op niets wat Geraldinneke ooit al gezien of gevoeld had. Maar het was wel eng.
Geraldinneke noemt het voor het gemak de blinkiewoe.

Omdat Geraldinneke zo bang was dat ze in zo'n gat van de blinkiewoe terecht zou komen, liep ze snel verder over de wieblie. Ze rende en rende, terwijl ze achterom naar de blinkiewoe bleef kijken. Tot ze plots ... ergens tegenaan botste.
Ze schrok, maar had zich gelukkig niet bezeerd. Het was een heel zacht ding waar ze tegenaan gebotst was. Ze moest zich ook maar een beetje bukken om er zo onder te kunnen kruipen.
Oh wat was dát fijn! Geraldinneke had zich voor de blinkiewoe kunnen verstoppen onder iets dat leek op een wolk. Ze had zich dikwijls afgevraagd hoe het zou voelen om een wolk aan te raken. Zoals dit moet het ongeveer zijn, dacht ze.
Maar plots was de wolkie weg! Zomaar! Ineens! Geraldinneke zat nu terug onbedekt op de wieblie!! Renneuh!!!!
Hup, naar de rand van de wieblie tot bij de boblie en daar naar het stukje waar het nooit helemaal licht werd.
In de verte kon ze de blinkiewoe nog altijd zien. Zou hij haar nog kunnen vinden?
Geraldinneke hoopte dat de zonnie nu weer zomaar floep, ineens zou stoppen met schijnen. Want dat kon. Het licht uit de zonnie kon er de ene seconde nog zijn en de andere helemaal niet meer én omgekeerd. Heel vreemd, vond Geraldinneke. Maar nu keek ze er wel naar uit, naar dat plots verdwijnen van het licht. Want in het donker had ze de blinkiewoe al vaak gehoord, maar dan bleef hij altijd ver van haar weg.

Toen het eindelijk donker werd, kwam Geraldinneke tot rust. Ze overwoog zelfs even, om de wieblie weer op te lopen, om op zoek te gaan naar de wolkie. Maar ze deed het toch maar niet. Want eens het donker wordt, begint Geraldinneke steevast aan haar werk. En wie haar ooit al bezig zag, weet dat het niet niks is waar ze elke avond aan begint.

zondag 5 juli 2009

staren



een fragment:

De leegte blijft niet leeg. Ze is dat alleen omdat een mens nu en dan even moet stoppen met denken én voelen.
De leegte is er niet écht. Je zet nu de wereld even stil. Om binnenkort te weten waarmee je hem wil vullen.
Vulling is er genoeg en zal er altijd zijn. Maar nu moet je even staren naar een wit blad.
Want dat is het. Geen zwart gat ... Een wit blad ... En zo kan het altijd zijn ...
Elke keer het lijkt of er niets meer is om naar te kijken.

dinsdag 30 juni 2009

Drinken! Drinken moeten we doen! Men zegge het voort!!



Gisteren, bij de vijver in 't park, ging een egeltje op zijn gemakje aan de rand een beetje drinken, terwijl ik daar op nog geen vier meter van stond.

Vandaag, bij mijn klein vijvertje op de koer ...

Eén wesp die komt drinken.


een drinkende wesp, originally uploaded by dP spot.

Nog een wesp die komt drinken.


nog een drinkende wesp , originally uploaded by dP spot.

Twee wespen die komen lurken.


nog een drinkende wesp , originally uploaded by dP spot.


't Is duidelijk dat moeder natuur ons iets wilt zeggen hé?!

maandag 29 juni 2009

twee wachthokjes






twee wachthokjes, originally uploaded by dP spot.

Twee dezelfde wachthokjes.
Nu staat er niemand in.
Maar als daar mensen in staan, dan wachten ze - meestal toch - op een trein.
Zo, van hier gezien, zou je dat misschien niet direct zeggen.
Maar wie links gaat staan, gaat naar rechts.
En wie rechts gaat staan, rijdt mee naar links.
En soms ... Heel soms en heel kort, voelt het alsof mensen - de ene naar links en de andere naar rechts - rijden, om nooit meer terug te komen.


zondag 28 juni 2009

(niet) zitten schilderen



Tafel vol schilderspullen
Gezicht in de zon en 't werk in 't licht
Op de achtergrond: de muziek uit de film van gisteren

Tafel vol theaterteksten
Handen op 't klavier en de ideeën in zicht
Op de achtergrond: de muziek uit een film van lang geleden

Na 10 seconden luisteren naar het eerste nummer al kippevel
Bij het derde nummer de ogen moeten sluiten, adem inhouden, wiegen en vanbinnen ... wenen, glimlachten, ineen krimpen, alles spreiden, weggaan en voor altijd blijven bestaan

Het gaat door
Voelen
Leven voelen gaat zo hard door
Als je van de pauzetoets durft blijven



Het derde nummer:
Deborah's Theme - Once Upon A Time In America (Ennio Morricone)



vrijdag 26 juni 2009

Van een tros ballonnen en een ijzeren gewicht



Er was eens, lang geleden, in een land hier ver vandaan, een massa zakjes gevuld met lucht, die heette Tros Ballonnen.
In die tros zaten ballonnen in allerlei verschillende kleuren en in elke ballon zat een ander gevoel.
In de witte ballon zat rust, in de zwarte wanhoop, in de grijze droefenis, in de bruine ontzetting, in de okerig groene walging, ... In de grasgroene zat moed, de gele stak vol met opgewektheid, de turquoise droeg kalme blijdschap mee, de rode was gevuld met impulsiviteit. Dat zijn er maar enkele. Het was een hele, hele grote tros. Alle mengsels kwamen erin voor. Of toch bijna ... En allemaal zaten ze aan elkaar vast. Ze waren aan elkaar verbonden met touwtjes.

Tros vloog rond. Mee met de wind. Hoe harder de zon scheen, hoe warmer de gevoelentjes-lucht in zijn ballonnen werd en hoe hoger hij steeg. Als het koud werd, kropen de luchtdeeltjes vanbinnen dichter bij elkaar, werd elke ballon op één plekje zwaarder, werden de ballonnen wat slap en zakte Tros naar beneden. Tot de zon weer flink ging schijnen. Dan dansten de luchtdeeltjes weer wild in het rond en ging hij weer omhoog ...

En Tros vloog en vloog ... botste af en toe ergens tegenaan ... Hij maakte zich ook wel eens zorgen dat hij tegen iets heel scherp aan zou vliegen en er in één of meer ballonnen een gaatje zou komen!
Nu en dan bleven de touwtjes ergens aan vast zitten. Soms op een plek die hij heel leuk vond, met veel ruimte om rond te tollen. Soms op een nare plek, met veel hoeken en kanten in zijn buurt. Maar de wind blaast voortdurend en vanuit alle richtingen. En telkens kwam Tros weer los en vloog verder. Jaren gingen voorbij. Tros hing aan muren, in bomen, aan lantaarnpalen en autospiegels. Soms heel kort, soms wat langer.

Tijdens al dat vliegen, bedacht Tros wel eens, dat het eigenlijk toch ook niet alles is: altijd maar weer doorgaan, nooit weten waar je mee naartoe genomen wordt, elke keer weer snel afscheid nemen of zelfs niet eens, op een ooh zo mooi plekje zijn en daar niet kunnen blijven omdat je gestuurd wordt door zon, wind, regen, temperatuur, ... kortom alles behalve jezelf, ...
En zo groeide bij Tros het verlangen naar iets wat hem eindelijk bij één plek zou kunnen houden. Iets waar hij zijn lange, lange touwen bij het uiteinde aan vast zou kunnen maken. Zo zouden al zijn ballonnetjes nog altijd kunnen bewegen in de lucht, stijgen, dalen, met een ruk naar links of rechts vliegen. Maar hij zou wel weten waar hij aan het einde van de dag zou zijn.

Een fiets leek hem maar niets. Hij had ooit Kinderfiets leren kennen en bleef wat hangen. Kinderfiets wou alsmaar rondrijden. Tros zo aan zich vast hebben zitten, vond hij wel leuk. Maar Tros had het niet zo met de meppen die hij kreeg. Zijn ballonnen ging té snel heen en weer en dat bracht hem wat in de war.
Een gevel was uitgesloten, want dan zou Tros maar de helft van alle kanten meer uit kunnen. En een schoorsteen is zo hoog dat hij nooit nog de grond zou kunnen raken. Neen, dat kon ook niet zijn.
Het moest iets zijn dat vrijstaat op een open plek in de ruimte, zo klein is dat Tros niet belemmerd wordt bij het rondvliegen en toch zwaar genoeg om zijn eindjes dicht bij de grond te houden.
Niet gemakkelijk te vinden, leek hem.

Tot Tros op een dag IJzer in de gaten kreeg.
IJzer kwam uit de aarde en was door vuur en water heel dicht bij elkaar gekropen. Als de zon heel hard scheen dat Tros al hoog de lucht in ging, dan nog bleven al IJzer zijn deeltjes zo dicht bij elkaar dat het hen lukte om stevig op de grond te blijven. Dat vond Tros prachtig!
De eerste keer dat Tros in de buurt van IJzer ergens aan vast bleef zitten, maakte hij er meteen een praatje mee.
IJzer vertelde dat 'IJzer' maar een stukje van zijn naam was. Net zoals 'Tros' ook maar een stukje van Tros zijn naam was. Tros zijn naam was Tros Ballonnen. En zo heette IJzer om precies te zijn IJzeren Staaf. Maar iedereen noemde hem meestal gewoon IJzer.
Tros vertelde over waar hij naar op zoek was en IJzeren Staaf zei heel beslist, dat hij dan zonder twijfel naar IJzeren Gewicht op zoek moest. Tros was blij dat IJzeren Staaf hem kon helpen. "Is er zo maar één?" vroeg Tros opeens. "Tuurlijk niet!" zei IJzeren Staaf, "Net zoals er van mij veel verschillende types bestaan - lange, korte, dikke, dunne in allerhande combinaties - zo zijn er ook van IJzeren Gewicht veel soorten qua grootte, zwaarte, vorm en noem maar op.". "En hoe weet ik dan, wie goed voor me is?" vroeg Tros. "Dat weet je niet. Je moet het gewoon elke keer proberen." zei Staaf.
En zo begon de tijd waarin Tros hoopte bij een ijzeren gewicht te geraken.

Hij vloog over pleinen, weiden, vijvers en meren, bruggen en gebouwen, ... Bleef haperen aan prikkeldraad, jonge twijgen, verroeste nagels en verrotte zitbanken. De eindjes van zijn touwen rafelden steeds meer uit. Maar hij gaf de hoop niet op. Zijn touwen waren lang en het zou nog flink wat duren voor ze helemaal versleten waren.

En dan, op een koude regenachtige dag, kwam Tros Ballonnen wat aan de slappe kant, naast een ijzeren gewicht te liggen. Tros was eigenlijk helemaal niet in de stemming om Gewicht aan te spreken. Dat was altijd zo als hij helemaal slap van de kou was. Dan bleef hij uit zichzelf al bij de grond en vergat telkens waar hij eigenlijk naar op zoek was.
Toch geraakten Gewicht en Tros met elkaar aan de praat. Om de tijd te doden. Terwijl ze daar dan toch naast elkaar lagen. Maar Tros vertelde niets over zijn groot verlangen ... Tot de zon weer volop ging schijnen, de lucht in Tros zijn ballonnen weer warmer werd en ze één voor één weer opstegen. "Oei, oei, oei!" riep Tros, die plots weer die andere kant van zichzelf zag, "Ik kan me maar beter aan jou vastmaken of ik vlieg zodadelijk weg." Gewicht ging onmiddellijk akkoord. Tros was dolgelukkig!! Maar Tros wist niet waarom Gewicht het eigenlijk zo snel eens was.
Hoe hoger de ballonnen van Tros stegen, hoe nerveuzer IJzeren Gewicht werd. Tot hij uitzinnig naar Tros riep:"Jaaa!! Jaaa!! Vlieg!! Vlieg omhoog!! Neem me mee de lucht in!!". Tros dacht:"Ooo jeee!! Wat nu?!", want dat kon Tros helemaal niet. Daarvoor heb je één, hele grote ballon nodig die al zijn kracht in één richting kan laten gaan. Bij Tros mocht het nog zo warm zijn en zijn ballonnen nog zo dik gespannen, zoiets lukte niet. Als er wind was, vlogen bij hem de ballonnen bijna altijd alle kanten uit. En dat vond Tros leuk. Zo had hij zichzelf altijd gekend. Enkel als er héél, héél felle wind was, een echte storm, gebeurde het wel eens dat heel Tros één kant uitging. Gelukkig maar heel zelden, want Tros had gemerkt dat zijn touwtjes het bij een storm extra zwaar te verduren kregen. Meestal raakte hij dan toch weer los en ging in een rotvaart mee met de stroming.
Gewicht had naar Tros geluisterd en zei dat het allemaal één groot misverstand was geweest. Gewicht was helemaal niet blij met hoe zwaar hij was en hoe hij altijd bij de grond bleef. En nu Tros aan hem vast zat zou hij stikjaloers worden, omdat zij daar in de lucht wel lichte, gekke capriolen konden maken. "Probeer het een keer. Eén keerte maar!" vroeg Gewicht. Dat vond Tros wel goed. "Een keertje proberen kan geen kwaad." dacht Tros. Dus bleef hij hangen tot de volgende windvlaag kwam. En ja hoor! Het lukte!! Het was warm weer, de wind blies hard van onder naar boven, alle ballonnen gingen omhoog en Gewicht ging mee de lucht in. Tros was fier en Gewicht wist met zijn geluk geen blijf! Tot de wind stopte met blazen ...
Tros zakte pijlsnel naar beneden! Maar hij was helemaal niet bang. Er was plek genoeg en hij kwam toch altijd zachtjes neer. Maar waar Tros niet aan dacht, was dat Gewicht helemaaaal geen zachte landing kon maken! IJzeren Gewicht kwam met een smak van jewelste op de grond terecht!! Hij vloekte op Tros omdat die hem niet in de lucht had gehouden. "Ik kon het niet stoppen!" jammerde Tros, "Ik vlieg maar mee met de wind en als hij me niet meer naar boven blaast ... ". Tros stopte met praten. Hij zag dat Gewicht huilde. "Heb je je pijn gedaan?" vroeg Tros. "Me pijn gedaan?! Wat zou ik?!!" snauwde Gewicht, "Ik ben wel een ijzeren gewicht hé!! Besef jij wel hoe hard ik ben?!". Tros keek zwijgend toe. "Het is gewoon dat ... Dat ik, nu ik jou bij me heb, dus nog altijd niet kan vliegen." Beiden zwegen. "En ik wou het zo graag." zei Gewicht nog stilletjes. Teleurgesteld maakten Gewicht en Tros zich van elkaar los. Gewicht bleef liggen. Tros vloog traagjes, zigzaggend weg en dacht aan wat IJzeren Staaf zo lang geleden had gezegd: dat je het niet weet en telkens moet proberen.


maandag 22 juni 2009

"Ik zit vaaaaaaast!!!!!!!!!"



Het moment dat kersverse kindjes op de werkvloer worden geshowd, zwermt het meerendeel van de dames daar meteen rond. Zelf nooit neiging toe gehad. Kleine pakjes genen waar ik niet mee gelinkt ben, spreken me - naar aanleiding van er gewoonweg te zijn - niet aan.
Zoals ik al weergaf in 'Stank en gekrijs', sta ik daar misschien net wat te rationeel tegenover, om er vanzelf vertederd door te worden. Babies hun gehuil is irritant omdat je er wat aan zou doen. Dat hun stront keihard stinkt, is een goed argument om de luier zou gauw mogelijk te verversen. Dat ze grote ogen, met giganten van pupillen hebben, maakt dat er weinig of geen dreiging vanuit gaat. En zo spartelend zien ze eruit zoals ze eruit zijn met reden, met heel grondige reden. Ze hebben hulp nodig. En dat vrouwen daar zo massaal gaan rondhangen, heeft ook zijn reden. Vrouwen willen/kunnen hulp bieden. Enfin ... doorgaans toch.
Ik heb ook de neiging om hulp te bieden. 'k Zou ze door mensen hun strot rammen als ze mij niet afremmen. Maar babies kunnen waar ik me sterk in weet, nog niet appreciëren, vermoed ik. Elk zijn terrein en dat is blijkbaar 't mijne niet.

Nu sta ik vandaag op punt om uit de tram te stappen. Een vrouw met kinderwagen maant haar andere twee kindjes tot spoed. Begint een van de twee jongens nu toch te huilen!!! Broertje trekt aan zijn trui:"Kom!! Kom!! We moeten eraf!!" Kindje:"Ik zit vaaaaaaast!!!!!!!!!".
Tas opzij gezet, gekeken hoe dat precies zat. Had het jongetje zich blijkbaar omgedraaid op zijn stoel, was met zijn knie tussen de zitting en de rugleuning gegleden, zat daar tot half zijn dij en tot bij zijn enkel tussenin en geraakte er niet meer uit. Puuuure paniek!!!
Hem wat gekalmeerd:"Dat is helemaal niet zo erg. We helpen jou daar wel weer tussenuit. En mama en broer die wachten wel even hoor." Kindje wat rustiger. "Jij trekt en ik duw ondertussen tegen jouw knie. Goed?". Zijn "euheuh" klonk niet echt overtuigd, maar hij bleef kalm. Wanneer hij trok en ik nog maar héél lichte druk zette, sloeg de paniek alweer keihard toe. Hij leek ervan overtuigd dat hij daar nooit of te nimmer nog uit zou geraken.
Een man op leeftijd hielpt mee. Ik hield de jongen bij zijn romp vast om hem te helpen trekken, terwijl de man tegen zijn knie zou duwen. De trambestuurder kwam erbij en zei:"Het gaat heel even pijn doen." Het kind krijste zowat zijn longen uit zijn lijf, ik hield hem beet, trok, de chauffeur duwde en floep! Kindje bevrijd. Huilbui op slag over. Iedereen blij.

Ik ben nog zeker een kwartier behoorlijk van slag geweest door de angst die in dat kind zijn geschreeuw zat.
Kortom, ik mag daar nog zo rationeel tegenover staan als maar mogelijk is. Op 't moment dat een kind paniek toont en of het nu terecht is of niet, raakt mij dat blijkbaar toch sterker dan ik verwacht had.