Posts tonen met het label mensbeeld. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mensbeeld. Alle posts tonen

maandag 30 maart 2015

leef en laat leven


Ze moet in het milieu gewerkt hebben. Esthetisch komt haar voorkomen niet overeen met het imago dat ze kiest. Nu ze oud is alleszins niet meer en misschien vroeger evenmin.

Af en toe kom ik haar op straat tegen. Nu, onderweg naar de nachtwinkel zie ik haar door het raam van een café. Een volks café met discolampen waar – vanaf 't moment dat de deftige mensen thuis blijven – roken nog altijd mag.
Met hangende mondhoeken, sterk opgemaakte ogen, lang, gelig, dor haar en verrimpelde, uitgezakte huid in dezelfde kleur. Steevast in het zwart gekleed en goed doorstappend op hoge hakken. Zo herken ik haar meteen. Die madame heeft vaak een kleine, langharige, vuile hond bij. Neen, ik vind niet alle honden vuil. Maar deze 'witte' zijn vacht is gelig bruin. Nu gesticuleert ze hevig naar de man die tegenover haar aan het tafeltje bij het raam hangt. Net als bij een gelijkaardige vrouw naast haar lijkt alles wat ze doet en oproept te heftig om te horen bij die deftige mensen die op dit uur thuis blijven.
Of ze ook nu hoge hakken draagt, kan ik niet zien. Maar dat ze sporen draagt wel. Sporen van laat leven. 

vrijdag 24 februari 2012

Rije, rije, rije!


Zot van schema’s als ik ben, heb ik van ergens onthouden dat een mens zijn kar doorgaans wordt getrokken door volgende vier emoties: woede, angst, verdriet en vreugde. De menner op de bok van de koets is onze ratio. Wel, hij heeft het druk, mijn menner.

Is Ratio, de menner, niet al te bedreven in het vak of vallen mijn paarden moeilijk te leiden? Woede probeert zelden op kop te lopen, maar kijkt wel geregeld opzij naar wat Angst en Verdriet doen en laat zich daardoor opjutten. Dan laat hij zijn hoofd wat zakken, strekt lichtjes de nek en wil enkel vooruit. Angst spreidt de neusgaten, gooit het hoofd achterover, rolt met de ogen, licht de voorbenen op, zakt licht door de achterbenen en werpt dan het gewicht van zijn hele voorhand in de strijd. De strijd tegen de kracht die Verdriet laat blijken. Verdriet kijkt niet meer door zijn glazige, open ogen, laat niet meer op zich inwerken wat door zijn oren komt. Hij rent en rent, door en door en door, als een machine.
Vreugde lijkt helaas te denken, dat de koets zo ook wel vooruit gaat, zonder zijn verwoede pogingen om de snelste te zijn. Vreugde lijkt niet competitief … Kan Vreugde zijn neus enkel eens voorbij de anderen krijgen, als mijn menner Ratio hen ingetoomd krijgt? Neen, neen, neen! Vreugde kent hen! Vreugde weet dat Angst een krachtig dier is, wiens energie met vlagen komt en gebruikt kan worden. Vreugde weet dat Woede op Angst let en het van hem overneemt als Angst het schuim op de flanken of lippen heeft staan. Vreugde weet dat Verdriet een constante is op wie je kunt rekenen, al weet Verdriet dat niet en hebben Angst en Woede de goedhartigheid om zijn werk geregeld te verlichten. Vreugde houdt hen in de gaten, ziet hun samenwerking en loopt gestaag mee, om af en toe, slechts héél af en toe, als de anderen compleet door zichzelf afgejakkerd hun eigen kracht niet meer kennen, zijn breidel te negeren en helemaal paard te zijn.

Ratio heeft de teugels in de hand. Maar hij is slechts een man, kan zich qua kracht niet met hen meten en moet het stellen met vertrouwen. Dat vertrouwen wordt gesterkt of gekelderd door hun gedrag. Hun gedrag wordt mee door hem beïnvloed. Maar vergeet ook de omgeving niet. Als uw paarden lastig te mennen blijken, vergeet dan de omgeving niet. Uw menner is maar een man. De omgeving is alles daarbuiten. Leven is doorrijden. Hagel doet zeer, hoe goed de teugels ook gevierd worden. 


woensdag 18 januari 2012

zatte patatte


“Ne zatte man, dad es eirg. Mor een zatte vraa! Dad es nog veel eirger!!” zei mijn grootmoeder meer dan eens.

Vanavond, rond half zeven kwam een madame op het voetpad mijn richting uit, zeilde uit haar baan tot tegen een verkeersbord en zei stilletjes ‘oei’. Haar ogen waren open, maar haar blik leek zonder focus. Of neen, het leek alsof ze iets bewegend volgde, zo’n anderhalve meter voor haar, op de grond. Terwijl ze me passeerde, tilde ze haar voeten bij elke stap net iets hoger dan men doorgaans ziet. Ze zwenkte naar de straatkant om over te steken. Ik draaide me om en dacht:”‘k Wil ’t niet zien als ze aangereden wordt!!!! Als ik er dan toch niets aan doe, kan ik het evengoed compleet negeren!!”. Maar ik hield ’t niet vol, hield haar toch terug in de gaten. Ze bereikte veilig de overkant en keerde terug in de richting waar ze vandaan kwam. “Waar gaat ze naartoe? Woont ze daar ergens? Gaat ze naar de nachtwinkel om meer drank?” Ze stapte vrij kortdaad door en bij de hoek een zijstraatje in.
Plots leek het of ze bij momenten op rolschaatsen stond waarvan elk wieltje een toer van 360° kan maken. “Is die vrouw wel dronken? Heeft ze misschien om totaal andere reden zware evenwichtstoornissen? Misschien heeft ze iets als een beroerte.” Ik bleef toekijken en vroeg me af wat ik zou doen als ze zou vallen. Zou ik naar haar toe gaan, zoals ik zou willen dat ik zou doen? “Is ze nu zo sterk aan ’t zwalpen, omdat ze meent dat ze uit het zicht is? Omdat ze zich nu gewoon laat gaan.” Ze verdween uit mijn zicht. Ik stapte verder en vroeg me af of een zatte vrouw inderdaad nóg erger is.
“Wat is ‘mijn’ mening daarover? Is openbare dronkenschap erg? Los van ’t gevaar waar je voor zorgt. En had ik effectief iets willen doen, wat was het dan geweest? Als ze inderdaad zwaar dronken was, had ze dan een probleem? Was het haar keuze? Was ze semipermanent in de drank verzeild geraakt? Zou het helpen om zo iemand te laten oppakken voor openbare dronkenschap – moest de politie daar al toe over willen gaan, want daar heb ik geen flauw benul van – zodat ze misschien attent gemaakt wordt op de ernst van de situatie? Is de situatie ernstig? Zou ik me dezelfde vragen stellen over een man? Kan ik überhaupt oordelen zonder invloed van de doctrine van mijn grootmoeder?!”.

Zoveel uren later denk ik:”De doctrine van mijn grootmoeder??”.
Mijn grootmoeder had – en heeft waarschijnlijk nog altijd – een zeer sterke eigen overtuiging, net zo lang tot er een sterk tegenargument kwam. Dan draaide ze – desnoods 180° – bij en begon ze met een vurige verdediging van het tegenargument. Als je haar confronteerde met haar inconsequentie, reageerde ze verontwaardigd, alsof ze valselijk beschuldigd werd. Jak zeg!!
Is het omwille van mijn laatdunkende indruk over haar, dat ik zo sterk betwijfel of een zatte vrouw wel zoveel erger is? Of omdat ik sowieso alles betwijfel?
Of was het omdat zij de meeste van haar debatten met mij voerde van in haar fauteuil, pintjes drinkend uit ’t flesje en het leeggoed op de vloer liet staan tot het er gemakkelijk een stuk of acht waren.
Vond ik haar nog erger als ze zat was? Ze was enkel maar zichzelf, maar dan erger …

zondag 15 januari 2012

Je bent wat je eet?

Iemand vertelde me dat zijn beenhouwer van destijds net een varkenskop had, zo rood en opgezwollen en was ervan overtuigd dat ’t te wijten was aan al ’t vlees dat die slager zelf naar binnen had gespeeld. Je bent wat je eet, zoals men zegt.
Dat deed mij nu over mijzelf denken:”Amai. Dan moet ík altijd en overal goed op tijd zijn!”
Maar kijk. Misschien is dat nog zo gek niet. Als ge rust vindt, zijt ge zzzennnn … Wie ‘zen’ is zijn gedrag hangt volgens mij alleszins niet aaneen van de snelle, nerveuze doeningen. Ik denk dan aan bewegingen uit de Tai Chi. Traaaage, glijdende, golvende enerrrrgie-ie-ie … En wat eten mensen die ‘zzzennnn’ zijn? Trraaaage suikers!!

Mmmm ... op wie kunnen we dat nog toepassen?

Rijst heeft de vorm van een spleetje ...

maandag 2 januari 2012

Later word je slecht. Slaapwel ...

Twee zeer grote ramen waarlangs het licht van de lantaarnpalen buiten binnenvalt. Balatum op de vloer. Een bruin, gebombeerd tweepersoonsbed uit de jaren vijftig met lakens en wollen dekens. Naast het bed een bijhorende kleerkast met vijf deuren, groot, log, zwaar, in staat tot verpletteren als ze omvalt. De andere kant, in de hoek tussen de twee ramen de commode met grote, driedelige spiegel waarop een pick-up staat, om sprookjes op LP te beluisteren. Maar nu niet. Niet voor het slapengaan.
Voor het slapengaan is moe er. Moe komt dichtbij, geeft een kruiske “Juzzeke zegendou, juzzeken bewoardou”. Ze komt nog dichterbij om een nachtzoen te geven. Uit haar mond komt de vertrouwde stank van zieke tanden, een ongezonde spijsvertering en sigaretten. De stank uit de mond van pit is nog sterker. Hij moet ook niet komen over hangen om het te kunnen ruiken.
“Slaapwel!”, “Tot morgenvroe-oe-oeg!”, “Tot morgenvroe-oeg”, … “Tot morgenvroe-oe-oe-oeg!”, “Tot morgenvroe-oeg”, over en weer tot moe helemaal de trap af is.

Als eten stinkt, is ‘t slecht. Later als je groot bent, ga je stinken, word je slecht.
Zal de kast omvallen?
“Boem-boem, boem-boem” luide hartslag in de stille kamer.
Liggen op de rug, “gris-gris”, “gris-gris”, hoofd van links naar rechts wiegen op het hoofdkussen. Haar ritselt en kraakt “gris-gris”, sneller wiegen, luider dan “boem-boem, boem-boem”
Slaapwel …




Nick Cave - People Ain't No Good

zondag 1 mei 2011

Enzekont

Met schrijvers is het blijkbaar als met geliefden. Als zij je pijn doen, kunnen ook enkel zijzelf het weer helemaal goed maken.

Woensdagavond las ik ‘Enzekont’ van Henri Van Daele - Lannoo, Tielt, ISBN : 9020942980.
Een roman over een jong buitenbeentje dat aan de verstikkende moraal van zijn geboortedorp meent te kunnen ontstappen door zijn ‘vriendschap’ met een pedofiel, maar op een choquerende manier zijn naïef geloof in de simpelste soort schoonheid verliest.
Ik was compleet van slag! Waar de accenten gelegd worden, de sereniteit, openheid, oprechtheid waarmee uitdrukking wordt gegeven aan zulk een delicaat onderwerp deed me op een uiterst positieve manier versteld staan. Geen eenzijdige belichting van een relatie tussen een nieuwsgierige, behoeftige jongeling en een volwassene die een aantal gevestigde waarden aan zijn laars lapt. Wel een genuanceerd verhaal met mensen in plaats van monsters.
Maar de mokerslag waarmee aan het einde wordt aangetoond dat de wereld van volwassenen voor een prille puber te complex in elkaar zit, was net omwille van de eerdere mildheid eens zo pijnlijk.

Zo’n boek lezen, behoort tot die ervaringen waarmee ik iets moet ‘doen’ om er overheen te geraken. Ik wou dat ik naar een sjamaan/tovenaar toe kon om me ritueel te laten zuiveren. Maar als iets me zo sterk dooreen schudt, is de oplossing doorgaans gelijkaardig. Dan moet ik daar uitdrukking aan geven, moet ik iets maken dat daarop werd gebaseerd.
Al jaren speel ik met ’t idee om een van deze schrijver zijn boeken te bewerken tot een theaterproductie. Het lukte me maar niet om te beslissen welke roman. En dan plots wordt de keuze me in mijn gezicht gesmeten.
Het ging ineens razendsnel. De aanpak, de setting, … Bij dit boek kreeg zo veel op zo’n korte tijd concreet vorm, dat ’t leek of het door een lavastroom of een schuivende gletsjer gestuwd werd. Dan moet er iets op papier staan voor ik nog een oog dicht kan doen! Ik schetste wat me voor de geest stond. Dat bracht al deels verlichting. Maar de bevrijding van de naargeestigheid die in heel mijn lijf bleef hangen, krijgt enkel hij - Henri Van Daele zelf - weer weg, met een ander boek ‘Balthasar’. Het is nog niet uit. Maar ik ben aan ’t genezen.


vrijdag 25 maart 2011

soep van stofjes

Zittend op de vensterbank in het zonlicht, vlakbij de terrasvijver.
Er zijn voortdurend flitsen te zien op het wateroppervlak. De beestjes die ze veroorzaken zijn met 't blote oog niet te zien. Maar ze zijn met veel en ze zijn druk bezig.
Er is veel te zien als je naar een klein stuk blijft kijken. Het water zit vol bewegend leven.

Ooit was het hier soep, hier op aarde. Er was land en daarop heel veel vloeistof. Maar van 'water' was nog niet meteen sprake. Alles wat nu bestaat is gebouwd uit materiaal dat er toen al was.
Ik ben gemaakt uit materiaal dat bij het ontstaan van het eerste leven al op aarde was. Tenzij er een partikeltje meteoriet in mij zit. Da's een andere zaak. Dan zou 'k moeten zeggen dat ik gemaakt ben uit stoffen die bij 't begin van het leven op aarde al in het heelal aanwezig waren.
Materieel gezien is alles en iedereen familie van elkaar. We zijn allemaal gemaakt uit dezelfde bouwstenen, wij de mensen, dieren, planten, stenen, olievoorraden, ertsaders, plastieken dozen, …
Alles is gemaakt met materiaal uit de aarde en zou er niet geweest zijn zonder de zon.
De aarde is mijn moeder en de zon mijn vader. De andere planeten zijn de tantes en mijn pa zorgt voor allemaal. Mijn nonkels zijn ver weg, maar 'k zie ze wel. Ze sturen licht. De maan is de oppas voor 't leven op ma haar voorkant als pa haar achterkant bekijkt en omgekeerd. Bomen zijn mijn broers en plastieken dozen mijn zusters.

Moeder was niet overleden! Ze sliep niet eens!! Ze heeft van alles gedaan terwijl pa zich met haar onderkant bezighield . Maar als onze pa wat verder weg is, val ik wel een beetje stil. Nu komt hij terug en 'k zie hem al naderen.

Als ik doodga, verdwijn ik niet. Deze vorm van mij valt weer uit elkaar. Maar altijd in stukjes die al bestonden bij 't ontstaan van alle leven. Ik blijf bij mijn moeder en mijn vader zal me kunnen bereiken. Ik zal altijd bij familie zijn.
Ik zal altijd mijn familie zijn.

woensdag 24 november 2010

Hellehonden bijten niet.

't Is een genieuze uitvinding. De Hel, Onderwereld of hoe ge 't ook wilt noemen. Zolang het maar staat voor een plek waar misérie en pijn wacht en waar ge enkel in terecht kunt komen door uw eigen toedoen. 't Is te zeggen, ge geraakt daar door onrechtvaardig gedrag.
Ge moet niet religieus ingesteld zijn om in de Hel te kunnen geraken. Als ge wel religieus zijt, dan krijgt ge respijt tot ge doodgaat en zit ge daar nadien voor altijd. Als ge niet religieus zijt, kunt ge direct vertrekken en ge kunt dan eventjes blijven of tot ge sterft. Maar ge kunt er dus wel altijd geraken.
Tuurlijk ja, als ge religieus zijt en weet dat ge in de Hel zult belanden bij uw dood, dan zit ge er eigenlijk nu al in. En ja, als ge niet religieus zijt en ge zit daar tot ge sterft, dan zit ge daar dus eigenlijk ook voor altijd.
Maar wat ik eigenlijk wou zeggen: een ingenieuze uitvinding dus.

De Hel is een uitstekend instrument om mensen onder de duim te houden, of ze nu gelovig zijn of niet. Zolang ze weergeeft dat mensen hun persoonlijk gedrag de oorzaak is van het slecht gevoel over zichzelf, wordt het beoogde doel bereikt.
Zorg er dus voor dat mensen zich schuldig kunnen voelen en ge hebt ze onder controle. Als ze iets doen waarover ze effectief schuld voelen, installeert zich een organisme in de ziel dat traag knabbelend rondkruipt en elke positieve indruk over het zelf weg eet. De enige manier om dat organisme uit uw lijf en leden te krijgen, is door uw leven te beteren - lees: gedrag vertonen dat geen schuldgevoel bezorgt, m.a.w. gedrag waarvan men zelf niet kan aannemen dat de omgeving het terecht afkeurt.
'Waarvan men zelf niet kan aannemen' is een belangrijk, neen zelfs noodzakelijk onderdeel. Het zélf geloven dat men een fout maakt, is essentieel om een schuldgevoel opgezadeld te kunnen krijgen. 't Is toch daarom dat psychopaten zo oncontroleerbaar zijn? Zij zien hun gedragingen die de maatschappij veroordeelt niet als verkeerd, voelen geen schuld en zijn bijgevolg van daar uit niet gemotiveerd om hun gang en wandel aan te passen. Enkel wat het bereiken van hun doel rechtstreeks in gevaar brengt, kan hen beïnvloeden.

En waarom werkt zo'n schuldgevoel nu zo goed? Waarom vreet het elke positieve indruk over uzelf weg? Het wordt gedragen door het systeem van wederkerigheid. Bij mezelf werkt 't ongeveer zo.
Ik heb geregeld behoefte aan eiland-cultus. 'k Kom betrekkelijk sociaal over, op 't eerste gezicht. Maar wie me langer kent, weet dat ik op zeker ogenblik de grote verdwijntruc toepas.
Moest ik mijn zin doen, dan zou ik te pas en te onpas op mijn eiland zitten. Maar de schuldgevoelens die ik uit 't verleden ken, weerhouden mij daar nog vaak van. Dus bleef ik vaak beschikbaar op momenten dat ik het eigenlijk niet echt meer was. Ik bleef 'schijnbaar' beschikbaar. Op die manier trachtte ik te verstoppen dat ik mijn sociaal betrokken deel nog maar eens kwijt was.
Het masker dat ik op zulke momenten draag, is vanbinnen bekleed met grof schuurpapier. Elke keer dat ik dat mombakkes opzet, verlies ik mijn gezicht, want ik word gekwetst én kom niet eens overtuigend over. Maar ik blijf het gebruiken. Want onbeschikbaar zijn is fout, zo is al meermaals gebleken. Mensen moeten op je kunnen rekenen. Er nu en dan zijn, is niet genoeg. Mensen willen zekerheid. Mensen hebben hun doelen en willen die het liefste langs de kortste weg bereiken.
Zoals iedereen, heb ook ik contact met de buitenwereld nodig om te leven. Wie alleen de verantwoordelijkheid voor zichzelf (of voor zichzelf en min. één kind) draagt, moet er zelf voor zorgen dat die buitenwereld zijn banden met hem of haar niet doorknipt. Alleenstaanden zijn niet voor niks doorgaans sociaal actiever dan mensen in een vaste relatie. Je moét het masker op. Niemand anders zal de mazen in jouw (vang)net repareren. Je wringt dat nepgezicht in de plooi en blijft bezig.
Tot er iemand op 't toneel verschijnt die je nagenoeg permanent in de gaten houdt en je er bovendien ook nog van weet te overtuigen dat wie je bent van tel is en niet wat je doet.

Je neemt plaats voor de spiegel. Het is maanden, misschien zelfs jaren geleden dat je het masker nog hebt afgezet. De ogenblikken dat je 't niet nodig had, waren te kort, de moeite niet. Je bent de confrontatie met jouw zelfbeeld uit de weg gegaan.
"Ah, kijk. Ik heb geen tanden meer. Mmm … Klopt. 'k Heb ze stukgebeten op de stenen die ik wilde vreten. 'k Heb geen wenkbrauwen meer. 'k Kan niet naar buiten want ik kan de regen niet uit mijn ogen houden. Maar hoera! De puisten die 'k wilde verbergen, zijn met vel en al verwijderd!!"

Ik heb gedaan om goed te doen. Ik deed wat ik wist dat 't van mijn verwacht wordt. Bang voor de schuld die ik zou toegewezen krijgen. Vol van besef dat minder niet kon.
Ik leed gezichtsverlies.
De kloven groeien stilaan dicht.
Nu staat mijn toot vol korsten.
Als je mij tegenkomt, laat me dan passeren. En onderdruk misschien je lach tot ik weer lang voorbij ben. Anders zout ge u achteraf schuldig kunnen voelen.
Tenzij je een van mijn hellehonden bent. Een lafaard die gromt en blaft, maar niet bijt omdat 't zogezegd maar om te verwittigen is.
En dan nog. Zet u liever voor de spiegel.
Of hebt ge al lang geen ogen meer?

donderdag 11 november 2010

mijn dames

'k Moest er niet van hebben vroeger, van vrouwen. 'k Had een paar vriendinnen voor wie 'k niet constant mijn afweerschild optrok. Maar daarmee is 't eigenlijk ook wel gezegd. Vrouwen waren gemene, doortrapte, feeksen van wezens die nooit aan jouw, maar altijd aan hun eigen kant stonden.


Dat beeld moet gebaseerd geweest zijn op 't voorbeeld dat ik thuis elke dag bij me had. Een voorbeeld in de vorm van een grootmoeder die een rotslechte band had met haar dochter en materieel voor mij zorgde om voor zichzelf te bewijzen dat het uitblijven van goeie resultaten bij mijn moeder niet op haar eigen falen wees. Neen, ze zorgde niet voor mij. Ze probeerde voor haar eigen geweten te zorgen.
Was er een discussie, dan gebruikte dat voorbeeld bij elk tegenargument tranen en deed onbewust pogingen om reverse psychologie toe te passen met uitspraken als:"Ja, ik zal wel de slechte zijn. 't Is altijd mijn fout. Steek het maar allemaal op mij.". De waarheid deed er haar niet toe. Ze wilde bij zichzelf geen fouten zien, geen schuld, geen moeite moeten doen om haar eigenbelang iets minder radicaal op de eerste plaats te stellen.
Ja, soms uitte ze spijt. Dan jammerde ze meewarig dat ze niet zo dom had moeten zijn om voor mij te willen zorgen, om voor X of Y eender wat te willen doen. Ze beklaagde zich vaak over de mooie dingen die ze had gedaan, nooit over haar afgrijselijk egoïstische reactie op het resultaat.
Het merendeel van de vrouwen in haar omgeving was op zijn hoede. Ze had een verhouding met een gehuwde man, met wie ze een dochter had. Men ging er van uit dat zij zich niet liet hinderen door scrupules als ze iets of iemand wou. Achteraf bekeken, rekening houdend met haar mentaliteit op allerhande terreinen, veronderstel ik dat men grotendeels gelijk had.
Op elke foto uit hare jongen tijd zag ze er al hard en verbeten uit; een vrouw die had geknokt voor de plaats waar ze stond. En dat gevecht zal - als jongste in een gezin van twaalf kinderen, waarvan tien jongens en een moeder met de aaibaarheidsfactor van een stalen steunbeer - niet min geweest zijn.
Haar dochter, mijn moeder had niet de nodige persoonlijkheid om op eigen benen te kunnen staan. Ze kende de wet der natuur die zegt dat een vrouw een man moet behagen of anders 'rien ne va plus' - met dank aan Tennessee Williams.

Ook haar 'vriendinnen' hadden niet meteen 't volste vertrouwen in haar bedoelingen. Bij de hardheid van hun oordeel, beklaagde ook mijn moeder zich over de vrouwelijke mentaliteit.
Voeg daarbij nog een meisje uit mijn kinderjaren, die de nulmeridiaan door haar bilspleet voelde lopen, een dramaqueen van formaat bij wie altruïsme niet in de woordenboek was opgenomen en de cirkel is nagenoeg rond. Nagenoeg …
Een jeugdvriendin me geleerd dat er ook mooie vrouwen bestaan. Ze heeft het beeld deels kunnen redden. Ik zag haar als een uitzondering op de regel.


Zoveel jaren later, was er een vrouw die ik begreep, die mij begreep, niet eens vanuit bereidwilligheid om te begrijpen, maar vanuit herkenning, een vrouw die geen vijand, geen toeschouwer, maar een bondgenoot was. Na het worstelen met elk onze moeilijkheden, fantaseerden we over samen een huis delen. In mijn hoofd was ik thuis geraakt. Het beeld klopte. We zouden onze thuis en onze band, ons leven met elkaar delen. We zouden elk een relatie hebben met een man die we liefhebben. Maar onze vaste basis zou bij elkaar liggen. We zouden afhankelijk mogen zijn van elkaar, want we zouden steeds mee opzoek gaan naar het beste voor de andere helft. En dat zoeken, dat zoeken zelf, zou al vinden zijn. Maar het is niet tot 'zijn' gekomen. Het is niets geworden. Het kreeg nooit een kans. Het was een misverstand. Het was slechts een fantasie. Mijn thuis bestond enkel in een verhaal, een verwarmend verzinsel dat me verkild achterliet.


Al die vrouwen in mijn leven hebben me samen vast een resem stoornissen bezorgd. En dan loop je daar, rondjes in een wereld waarbij je minstens de helft van de bevolking met argusogen gadeslaat. Wat staat er in hun verborgen agenda? Hoeveel van wat ze zeggen, menen ze ook écht? Heb ik de chance dat mijn voordeel hun voordeel dient?

En dan start je een samenwerking met een vrouw die heel oprecht uitkomt voor haar gedreven- en veeleisendheid, een vrouw die geen boodschap heeft aan blabla over bedoelingen als er geen consequent handelen uit voortkomt, als de handelingen niet tot een constructief resultaat leiden, een vrouw bij wie voorgaande delen van zichzelf geserveerd worden op een bijna onzichtbaar bedje van zorg, betrokkenheid, respect en zachte, diepmenselijke warmte. Hoe langer je haar kent, hoe meer je haar vriendschap hebt verdient, hoe meer ze jou haar eerst zichtbare trekken heeft gevoederd, hoe meer van de basis zichtbaar wordt. Een vrouw die te intelligent is om zichzelf te kunnen wijsmaken dat 't met wat minder hard knokken ook wel zal lukken. Maar die tegelijk menselijk, warm, sociaal en bereidwillig genoeg is, om zowel moeite als resultaten te delen. En, ze is zich daarvan (altijd?) bewust.

En dan start je - samen met voorgaande vrouw - een samenwerking met een vrouw die staat voor een stroom, tot de oevers en er voorbij gevuld met kolkende emoties. Een stroom die al lang, van grote hoogte, intuïtief onderweg is naar zee en precies daar en nu uitmondt waar wij staan. Zij is de kracht vanuit de behoefte, de wijsheid die met voelen wordt verzameld en de analyse voorbijgaat. Ze heeft weet van haar wonden, trekt de pleister eraf, laat je kijken en komt zo te weten of je een zoutvat achter de hand houdt. Ja, ze geeft je de kans om haar pijn te doen. Ze geeft je de kans om jezelf door de mand te laten vallen. Haar selectieprocedure zit nokvol zelfopoffering en is misschien net daarom zeer efficiënt. En, ze is zich daarvan niet (altijd?) bewust.

En dan ben je samen met die twee vrouwen iets gestart: een samenwerking. Een samenwerking die grensoverschrijdend blijkt, die van een resem stoornissen 'kleine prettige stoornis' maakt.
De ene vaak bewust zoekend, de ander vaak onbewust vindend. De ene het hoofd, de ander het lijf. Zij samen wat nodig is om mij volledig te maken. Als de confrontatie met mijzelf mij moe en moedeloos heeft gemaakt, zalven ze mijn ziel. Als de botsingen met mijn leven mijn lijf hebben beschadigd, dragen hun handen mijn lasten en kneden me terug in vorm. Ze zijn mijn moeders, mijn zusters en mijn dochters tegelijk. Ze zijn voor mij het bewijs dat de vrouw diep gewortelde goedheid in zich kan dragen. Ongeacht wat het Eva-personage ook moge laten uitschijnen of welke reden er ook moge verzonnen worden om haar natuur in diskrediet te brengen en zo haar onderdrukking te rechtvaardigen. Ze is krachtig. Ze is een natuurelement. Van oorsprong niet goed of slecht, net als de aarde en alles wat erop groeit zelf.


Sint-Martine bestaat niet, maar vandaag, op vrouwendag, vier ik haar toch. Dat mag, want morgen viert de katholieke kerk Sint-Lieven en dat blijkt ook een fictief figuur.


instant instandhouden

Als we ziek zijn, willen we liefst gezond weer uit de spreekkamer van de dokter vertrekken. Soep uit een blik vinden we niet snel genoeg gaan. We zetten een kop water in de microgolfoven en strooien er poeder in. En een nieuw lief, dat moet ook meteen gaar zijn.

Ge lacht, maar … Vertel eens dat 't zoeken is en soms weg heeft van de processie van Echternach. Niet perse over uw nieuw lief, over iets anders mag ook. Maar dus ook over uw nieuw lief, ja.
In een samenleving waar wat niet meteen marcheert, wordt gedumpt voor ander en misschien beter, kan een lief ook maar beter rap ferm scoren. Sterker nog: als dat lief in begin een paar keer zijn doel mist, wordt hij nog rapper vervangen dan de trainer van ons nationaal elftal. Ik schrijf 'hij', maar let dat ik 'hij of zij' bedoel, want dat geldt echt wel voor de twee seksen.
En nu is mijn voornaamste vraag: waarom is dat zo?


Nemen we geen tijd meer voor een degelijke behandeling van onze ziekte, voor verse soep en de vruchten van een relatie waarin geïnvesteerd werd, omdat we 't ons kunnen veroorloven onszelf die moeite - op welk terrein uit de voorbeelden dan ook - niet meer te getroosten? Is het genoeg dat er een snelle oplossing voorradig is, om ervoor te zorgen dat wij geen moeite meer willen doen? Of kiezen we voor 'snel', omdat we werkelijk geen tijd meer hebben om voor 'kwaliteit' te gaan. Leven we in een wegwerpmaatschappij omdat we steeds nieuw willen? Of zijn we verplicht om steeds nieuw te kopen omdat op tal-lo-ze vlakken het aanbod ondertussen voor 't grootste deel bestaat uit instant-oplossingen? Is het niet duidelijk wat ik bedoel? Wel, ik wil eigenlijk gewoon weten wat er het eerste was: tijdsgebrek of instantsoep?


Alles moet alsmaar sneller. Ge kunt er u niet op alle vlakken aan onttrekken als ge wilt blijven meedraaien met de grootste gemene deler van de maatschappij. Maar de tijd die we uitsparen, winnen we niet eens. Want die tijd wordt onmiddellijk ingenomen door andere dingen die we 'snel moeten' doen - of 'menen' te moeten doen, als ge durft stellen dat we ons wél nog aan de grote stroom kunnen onttrekken*.

"Vroeger was het beter." is een al te simpele oplossing. Maar voor de vrijheid om te kiezen uit een gigantisch aanbod aan snertoplossingen, betalen we toch een behoorlijk hoge prijs. De prijs? Dat we 't onszelf op héél veel vlakken (moeten?) doen stellen met brol!!


Maar goed … De soep is dus instant geworden en wij zitten erin. Vaak ook op relationeel vlak. En nu?
Wel, ik ben content dat ik iemand gevonden heb die bereid is om het onkruid te wieden, de bodem om te spitten, te bemesten, te zaaien, nog te wieden, te beschermen, te oogsten, te kuisen, te stomen, stoven, kruiden en opdienen. Ja, ik ben blij dat ik dat wel nog blijk te willen doen.


*Er zijn wel degelijk mensen die ik ken, die mogen stellen dat 't wel nog 'anders' kan, omdat zij daar ook daadwerkelijk naar leven.

woensdag 25 augustus 2010

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet.

’t Is goed gerief dat hij gebruikt. Zijn ziel is vergrootglas, infraroodcamera, bewegingsdetector, …

Knip! Licht uit, spot aan.
Soms ben ik een boek, soms een schilderij, een beeldhouwwerk of sculptuur. Maar ’t vaakst ben ik een film. Ik ben bewegende beelden.
Hij interpreteert mij en projecteert zijn beeld. Ik interpreteer zijn beeld en projecteer dikwijls bevestiging.

Als we later zoveel jaren samen zullen zijn, zal ik nog zelden hoeven zeggen wat ik vind van … van wat dan ook.




donderdag 29 juli 2010

'k Zag twee heren,

veel verteren.

Het spel wordt gespeeld zoals elk ander, terwijl het er één – het enige? – is waarbij geen verliezers hoeven te zijn.

Ik zag het allemaal van dichtbij. Uren en uren was ik toehoorder.
Woede om de colère van de ander, tristesse om haar verdriet, gebroken blik en wil om de vermoeidheid die hij bij haar vaststelt.
Hij die er geen bal van begreep, die alleen maar goed wou doen en daardoor in de greep viel van hen die duidelijk zijn over wat ze verwachten.
Bij bosjes geven ze op. Zij die moe gezocht zijn naar de weg uit de eeuwige verwarring. Ze vluchten naar plekken waar zekerheid is.
Ze bestaan.

donderdag 8 april 2010

Said and Done

Den enen is zo vriendelijk om zijn gesmos weg te vegen.
En dan krijg je twee muzikanten als logé, waarvan eentje zo vriendelijk is om na 't ontbijt zijn borden zelf te willen spoelen. Wat ik hem natuurlijk niet toegestaan heb, ... want ik doe dat zelf te graag.
En dan zit daar een klein, fijn, schoon ventje te wachten met de andere muzikanten, om te vertrekken naar de volgende plek in de Europese toer.
Als het sleuren met instrumenten achter de rug is, volgt een vriendelijke omhelzing met de gasten die 'k over de vloer had.
En dan is het klein ventje – waarmee ik slechts enkele woorden wisselde tijdens het wachten – zo vriendelijk om ook een welgemeende knuffel te geven.

Allez kom toe, er zijn nog veel vriendelijke mensen op de wereld.
Maar van dat laatste ventje ga 'k minstens één cd kopen.
'k Zou zeggen: ga ook eens luisteren op myspace.



woensdag 7 april 2010

You Tarzan Me profiler!!

“U zouden ze bij de flikken moeten aannemen!! Ze moeten u maar gewoon loslaten en in de gaten houden wie aan u blijft plakken.”
Yep! I should be a fucking profiler!! Zet mij in een lokaal met honderd mensen en ik haal 't duiveltje uit 't doosje. Neen, niet bewust. Maar ik wandel er wel zelf naartoe en het klikt meteen! Wat had je gedacht?
Ben ik simpelweg destructief ingesteld? Of trek ik die rastrero lameculos aan omdat enkel zij zelf giftig genoeg zijn om mijn paljassenstreken niet te vrezen?

Neen, 't gaat niet om 'criminelen'. Was 't maar zo simpel! Dan kon ik er nog iets maatschappelijk (onmiddellijk duidelijk) verantwoord mee doen, met die geweldige gave van mij.
't Gaat om

fout
getekend
fout fout
moeilijke mensen
lastpakken
fout fout fout

't Enige lovenswaardige - volgens de gemeenschap dan - wat ik nu kan doen is de écht brave madammen die sujets besparen. Want kijk. Als ik met iemand klik, dan is er vaak ergens een madame die zich omwille van allerlei fafoulenstreken de haren uit 't hoofd wil trekken en schreeuwt:”Trap het toch af man!!”.
Alleen vraag ik mij af in hoeverre ze dat dan echt meent. Want allez? Wat is er nu fijner dan zo'n 'zogenaamd onmogelijk' mens? - waarvan vast heu-eu-eul vaak blijkt dat die 'zogenaamd' lichtelijk misplaatst is -
Moest ze 't niet menen en ik zou 't weten, 'k zou hem verdorie terug sturen, zie! Wat peist ge daarvan? 'k Ben ik eigenlijk nog zó slecht niet hé?! Neen, neen! 'k Ben ik eigenlijk zo'n écht braaf madammeke. Ergens. Voor een stuk.
Wil 't slecht stuk in mij dan dat soort individuen van 't goed stuk wegtrekken aub???? Graag!! Nu nog te weten komen of ik 't meen.




Rolling Stones - Sympathy For The Devil

vrijdag 26 maart 2010

behang

Eerst ontstond geslachtloze voortplanting en tegelijk begon de eerste oorlog. En toen – niet zomaar plots, ineens, pardaf, floep! - was er geslachtelijke voortplanting.
Ik maak – voor mijn gemak en 't uwe – meteen de sprong naar de zoogdieren.
Elke ongeboren vrucht van een zoogdier is eerst vrouwelijk en wordt tijdens de zwangerschap soms mannelijk. En er is nog altijd oorlog. Dat vind ik normaal.
Maar ik snap niet waarom mannen en vrouwen, als twee kampen elkáár bevechten. Een standbeeld!! Een standbeeld voor moeder natuur, omdat ze van sommige vrouwen een man maakt!!!
Al zou 'k sommige exemplaren met plezier achter 't behang plakken.

dinsdag 2 maart 2010

consensus op de wip







schoenmaatjaar



Ik ben verjaard. Vorige maand. Sinds laaaang moest ik altijd even nadenken als iemand me vroeg hoe oud ik was. Maar niet dit jaar! Want dit jaar is mijn leeftijd gelijk aan mijn schoenmaat. Joehoe! Wat een gemak! Want daarover hoef ik nooit na te denken. Dat verandert niet om ‘t jaar hé?! En ok … Ja … Ook ‘vrouwen en schoenen‘. Er is iets van aan.
Maar ook ‘vrouwen en handtassen’, ‘vrouwen en koffietassen‘, ‘vrouwen en notitieboekjes’, ‘vrouwen en doosjes’, ‘vrouwen en fotokaders’, ‘vrouwen en … waar ook maar IETS in terecht kan komen. Vrouwen beleven blijkbaar lol aan iets waar ze iets IN kunnen stoppen. Vagina’s! Tassen, boekjes, doosjes, kaders. Allemaal vagina’s!!
En er is nog wel meer mee … met vrouwen.



“Het pad is het doel!” zei ze en gaf me (o.a.) een asbak cadeau terwijl ze me wil helpen stoppen met roken. “Suiker is slecht! Vergif!” zei ze, en nam zonder enig verwijt in haar houding een heerlijk chocolaatje uit de doos die ik net (van een andere vriendin) gekregen had.
“Zelfontplooiing zou ook goed zijn tegen rimpels.” zegt Loesje op een kaartje. Het kaartje van een vrouw die zegt dat ze geen kinderen wil en zo gemakkelijk door had dat ik niet altijd even zeker ben (geweest) of ik wel enkel en alleen ‘in mijzelf’ wil groeien.
Er staat in het Frans dat een vrouw haar lichaam niet gemaakt is om de liefde te bedrijven, dat het daar te mooi voor is. Dat staat op het kaartje dat ik kreeg van een vrouw die er lachend bij zei:”Het klopt niet helemáál. Maar … ge weet wel.”.


Vrouwen … Hun manier van communiceren is vaak complex en zo subtiel dat ‘t een wonder mag heten dat ze tijdens de uren en uren kletsen überhaupt iets aan elkaar verteld krijgen zoals ze het bedoelden. Maar da’s niet erg, want het pad is het doel.


Een van nature blauwe vrouw die op allerhande manieren laat blijken hoeveel vertrouwen ze in mensen heeft, doet toch alle moeite van de wereld om geel te zijn als je bij haar bent. En als het blauw dan op een zondagmiddag in de koude, open winterlucht als een zware wolk lijkt waar je net samen ingestapt bent? Dan wordt ze geel omdat ‘t eindelijk duidelijk werd hoe blauw ze dus in feite is.



Neen man! Neen, neen, neen! Vraag hen niet:”Heb je dat graag?”, want ze kunnen je niet eerlijk antwoorden zelfs als ze zouden willen. Je vraagt hen aan henzelf te denken, maar zij denken automatisch aan jou! Ze willen je helpen en zouden dat kunnen doen door jou te zeggen wat ze graag hebben, maar wat zij willen, is denken aan jou.
“Zeg verdomme toch eindelijk een keer wat JIJ wilt!” raas jij op de duur en dan denken zij stilletjes:”Hield je eindelijk maar eens rekening met MIJ.”. Maar dat zeggen ze niet. Want ze geven de hoop niet snel op.
En zelfs diegenen die zeggen dat ze “Foert!” zeggen, die zeggen dat maar, want ze blijven proberen. Maar dat zeggen ze dus niet. Ook niet tegen elkaar.


Wat moet je dan doen om te weten of het goed voor haar is?



“Vaststellen dat ze blijft en haar vertellen dat je daar blij om bent.” zou ‘k zeggen.



Dat zeggen ze tegen elkaar.



Attributen ter ondersteuning van slechte gewoonten, kaartjes met boodschappen die moeten toegelicht worden, willen - zoals hierboven bleek - ook wel helpen. Maar volgende dialoog kan volgen.

Zij:”Waarom dat cadeau?”
Hij:”Omdat ik ‘t fijn vind hoe jij ineen zit.”.
Zij:”Hoe zit ik volgens jou dan ineen?”
Hij:”Dat ga ‘k niet beginnen uitleggen.”
Zij:”Ah neen? Omdat ge ‘t niet weet?”
Hij:”Zou ‘k je dat cadeau gegeven hebben als ik niet wist hoe je ineen steekt?”
Zij denkt ofwel “Héé?! Daar is misschien toch wel iets van.” ofwel “Hij zal ‘t ook nooit leren.” en zucht. En dat is goed. Want het pad is het doel. En als je er geraakt bent, is ‘t misschien wel gepasseerd. Wie zal ‘t zeggen? Zij niet.


vrijdag 5 februari 2010

Als 't dat maar is!







“Elk kent zijne zot.” hoorde ik vrouwmensen zeggen toen ik nog bitter jong was. Dat was het antwoord op nagenoeg elk ongenoegen over hun 'halve trouwboek'. Een uitdrukking die me toen van ontzettend weinig respect leek te getuigen.

Je komt er wat mee tegen, met de mansmens die er om een of andere bizarre reden in geslaagd is om je aan zijn kant te laten staan. Zelfs evenveel als hij met jou zou 'k durven stellen. En soms komt er een ander exemplaar voorbij dartelen en word je heel even nieuwsgierig, krijg je heel even 't zot gedacht dat 't met hem best wel leuk zou kunnen zijn. 't Is waarschijnlijk zelfs waar.
Maar ik heb 't g'had! 't Hoeft voor mij niet meer. 'k Wil niet meer proeven van de compagnie van al die anderen die héél ... misschien ... leuk ... zou ... kunnen ... zijn. Straffer nog! 'k Wil al geruime tijd niet meer proeven. Maar nu wil ik zelfs niet meer dagdromen over de compagnie van al die ...

't Is ondertussen flink wat tijd geworden, dat tijdje dat we alweer aan elkaar zijn blijven plakken. Het vertrouwen begint weer langzaam maar zeker te vergroten. En zo komt 't ook, dat jij je weer aan mij durft te vertonen met een paar glazen op. Zodat jij die gedachtekronkels die je zelf vreemd vindt, weer één voor één voor mijn voeten durft werpen.
Zo is het altijd geweest. Je vertelde me meer dan aan eender wie. Je vertelde me ook meer dan eender wie me ooit vertelde. En als je gedronken had, nóg meer ineens. Vroeger vond ik dat soms lastig. Nu nog altijd. Je bent vermoeiend dan. Misschien zelfs zo vermoeiend als ik altijd ben.
En dan komt er een ander exemplaar van jouw geslacht voorbij gedarteld. En dan vraag ik me heel even af of ... Maar ik maak de zin niet eens meer af. Want mensenlief ...
“Elk kent zijne zot.” is gewoon een andere manier om te spreken over 'de mantel der liefde' waarmee een vrouw de vreemde maar zo vertrouwde stukjes maar al te graag bedekt. Al zeker als ze even achterom kijkt en denkt:”Als 't dat maar is!”.


dinsdag 25 augustus 2009

typisch augustus-fenomeen



Had nét een A5 schets- en/of notitieboek gekocht en een nieuwe vulling voor mijn favoriete pen.






Met veel, lange, blonde krullen,
stevige, lange, gebruinde benen, waar het gaafste alvast vanaf was,
in die kaki short, die tussen haar billen was gekropen,
op hoge sandalen met kurken plateau-zooltje,
met twee kleine kinderen bij zich,
zag ze eruit als een typisch augustus-fenomeen.


vrijdag 26 juni 2009

Van een tros ballonnen en een ijzeren gewicht



Er was eens, lang geleden, in een land hier ver vandaan, een massa zakjes gevuld met lucht, die heette Tros Ballonnen.
In die tros zaten ballonnen in allerlei verschillende kleuren en in elke ballon zat een ander gevoel.
In de witte ballon zat rust, in de zwarte wanhoop, in de grijze droefenis, in de bruine ontzetting, in de okerig groene walging, ... In de grasgroene zat moed, de gele stak vol met opgewektheid, de turquoise droeg kalme blijdschap mee, de rode was gevuld met impulsiviteit. Dat zijn er maar enkele. Het was een hele, hele grote tros. Alle mengsels kwamen erin voor. Of toch bijna ... En allemaal zaten ze aan elkaar vast. Ze waren aan elkaar verbonden met touwtjes.

Tros vloog rond. Mee met de wind. Hoe harder de zon scheen, hoe warmer de gevoelentjes-lucht in zijn ballonnen werd en hoe hoger hij steeg. Als het koud werd, kropen de luchtdeeltjes vanbinnen dichter bij elkaar, werd elke ballon op één plekje zwaarder, werden de ballonnen wat slap en zakte Tros naar beneden. Tot de zon weer flink ging schijnen. Dan dansten de luchtdeeltjes weer wild in het rond en ging hij weer omhoog ...

En Tros vloog en vloog ... botste af en toe ergens tegenaan ... Hij maakte zich ook wel eens zorgen dat hij tegen iets heel scherp aan zou vliegen en er in één of meer ballonnen een gaatje zou komen!
Nu en dan bleven de touwtjes ergens aan vast zitten. Soms op een plek die hij heel leuk vond, met veel ruimte om rond te tollen. Soms op een nare plek, met veel hoeken en kanten in zijn buurt. Maar de wind blaast voortdurend en vanuit alle richtingen. En telkens kwam Tros weer los en vloog verder. Jaren gingen voorbij. Tros hing aan muren, in bomen, aan lantaarnpalen en autospiegels. Soms heel kort, soms wat langer.

Tijdens al dat vliegen, bedacht Tros wel eens, dat het eigenlijk toch ook niet alles is: altijd maar weer doorgaan, nooit weten waar je mee naartoe genomen wordt, elke keer weer snel afscheid nemen of zelfs niet eens, op een ooh zo mooi plekje zijn en daar niet kunnen blijven omdat je gestuurd wordt door zon, wind, regen, temperatuur, ... kortom alles behalve jezelf, ...
En zo groeide bij Tros het verlangen naar iets wat hem eindelijk bij één plek zou kunnen houden. Iets waar hij zijn lange, lange touwen bij het uiteinde aan vast zou kunnen maken. Zo zouden al zijn ballonnetjes nog altijd kunnen bewegen in de lucht, stijgen, dalen, met een ruk naar links of rechts vliegen. Maar hij zou wel weten waar hij aan het einde van de dag zou zijn.

Een fiets leek hem maar niets. Hij had ooit Kinderfiets leren kennen en bleef wat hangen. Kinderfiets wou alsmaar rondrijden. Tros zo aan zich vast hebben zitten, vond hij wel leuk. Maar Tros had het niet zo met de meppen die hij kreeg. Zijn ballonnen ging té snel heen en weer en dat bracht hem wat in de war.
Een gevel was uitgesloten, want dan zou Tros maar de helft van alle kanten meer uit kunnen. En een schoorsteen is zo hoog dat hij nooit nog de grond zou kunnen raken. Neen, dat kon ook niet zijn.
Het moest iets zijn dat vrijstaat op een open plek in de ruimte, zo klein is dat Tros niet belemmerd wordt bij het rondvliegen en toch zwaar genoeg om zijn eindjes dicht bij de grond te houden.
Niet gemakkelijk te vinden, leek hem.

Tot Tros op een dag IJzer in de gaten kreeg.
IJzer kwam uit de aarde en was door vuur en water heel dicht bij elkaar gekropen. Als de zon heel hard scheen dat Tros al hoog de lucht in ging, dan nog bleven al IJzer zijn deeltjes zo dicht bij elkaar dat het hen lukte om stevig op de grond te blijven. Dat vond Tros prachtig!
De eerste keer dat Tros in de buurt van IJzer ergens aan vast bleef zitten, maakte hij er meteen een praatje mee.
IJzer vertelde dat 'IJzer' maar een stukje van zijn naam was. Net zoals 'Tros' ook maar een stukje van Tros zijn naam was. Tros zijn naam was Tros Ballonnen. En zo heette IJzer om precies te zijn IJzeren Staaf. Maar iedereen noemde hem meestal gewoon IJzer.
Tros vertelde over waar hij naar op zoek was en IJzeren Staaf zei heel beslist, dat hij dan zonder twijfel naar IJzeren Gewicht op zoek moest. Tros was blij dat IJzeren Staaf hem kon helpen. "Is er zo maar één?" vroeg Tros opeens. "Tuurlijk niet!" zei IJzeren Staaf, "Net zoals er van mij veel verschillende types bestaan - lange, korte, dikke, dunne in allerhande combinaties - zo zijn er ook van IJzeren Gewicht veel soorten qua grootte, zwaarte, vorm en noem maar op.". "En hoe weet ik dan, wie goed voor me is?" vroeg Tros. "Dat weet je niet. Je moet het gewoon elke keer proberen." zei Staaf.
En zo begon de tijd waarin Tros hoopte bij een ijzeren gewicht te geraken.

Hij vloog over pleinen, weiden, vijvers en meren, bruggen en gebouwen, ... Bleef haperen aan prikkeldraad, jonge twijgen, verroeste nagels en verrotte zitbanken. De eindjes van zijn touwen rafelden steeds meer uit. Maar hij gaf de hoop niet op. Zijn touwen waren lang en het zou nog flink wat duren voor ze helemaal versleten waren.

En dan, op een koude regenachtige dag, kwam Tros Ballonnen wat aan de slappe kant, naast een ijzeren gewicht te liggen. Tros was eigenlijk helemaal niet in de stemming om Gewicht aan te spreken. Dat was altijd zo als hij helemaal slap van de kou was. Dan bleef hij uit zichzelf al bij de grond en vergat telkens waar hij eigenlijk naar op zoek was.
Toch geraakten Gewicht en Tros met elkaar aan de praat. Om de tijd te doden. Terwijl ze daar dan toch naast elkaar lagen. Maar Tros vertelde niets over zijn groot verlangen ... Tot de zon weer volop ging schijnen, de lucht in Tros zijn ballonnen weer warmer werd en ze één voor één weer opstegen. "Oei, oei, oei!" riep Tros, die plots weer die andere kant van zichzelf zag, "Ik kan me maar beter aan jou vastmaken of ik vlieg zodadelijk weg." Gewicht ging onmiddellijk akkoord. Tros was dolgelukkig!! Maar Tros wist niet waarom Gewicht het eigenlijk zo snel eens was.
Hoe hoger de ballonnen van Tros stegen, hoe nerveuzer IJzeren Gewicht werd. Tot hij uitzinnig naar Tros riep:"Jaaa!! Jaaa!! Vlieg!! Vlieg omhoog!! Neem me mee de lucht in!!". Tros dacht:"Ooo jeee!! Wat nu?!", want dat kon Tros helemaal niet. Daarvoor heb je één, hele grote ballon nodig die al zijn kracht in één richting kan laten gaan. Bij Tros mocht het nog zo warm zijn en zijn ballonnen nog zo dik gespannen, zoiets lukte niet. Als er wind was, vlogen bij hem de ballonnen bijna altijd alle kanten uit. En dat vond Tros leuk. Zo had hij zichzelf altijd gekend. Enkel als er héél, héél felle wind was, een echte storm, gebeurde het wel eens dat heel Tros één kant uitging. Gelukkig maar heel zelden, want Tros had gemerkt dat zijn touwtjes het bij een storm extra zwaar te verduren kregen. Meestal raakte hij dan toch weer los en ging in een rotvaart mee met de stroming.
Gewicht had naar Tros geluisterd en zei dat het allemaal één groot misverstand was geweest. Gewicht was helemaal niet blij met hoe zwaar hij was en hoe hij altijd bij de grond bleef. En nu Tros aan hem vast zat zou hij stikjaloers worden, omdat zij daar in de lucht wel lichte, gekke capriolen konden maken. "Probeer het een keer. Eén keerte maar!" vroeg Gewicht. Dat vond Tros wel goed. "Een keertje proberen kan geen kwaad." dacht Tros. Dus bleef hij hangen tot de volgende windvlaag kwam. En ja hoor! Het lukte!! Het was warm weer, de wind blies hard van onder naar boven, alle ballonnen gingen omhoog en Gewicht ging mee de lucht in. Tros was fier en Gewicht wist met zijn geluk geen blijf! Tot de wind stopte met blazen ...
Tros zakte pijlsnel naar beneden! Maar hij was helemaal niet bang. Er was plek genoeg en hij kwam toch altijd zachtjes neer. Maar waar Tros niet aan dacht, was dat Gewicht helemaaaal geen zachte landing kon maken! IJzeren Gewicht kwam met een smak van jewelste op de grond terecht!! Hij vloekte op Tros omdat die hem niet in de lucht had gehouden. "Ik kon het niet stoppen!" jammerde Tros, "Ik vlieg maar mee met de wind en als hij me niet meer naar boven blaast ... ". Tros stopte met praten. Hij zag dat Gewicht huilde. "Heb je je pijn gedaan?" vroeg Tros. "Me pijn gedaan?! Wat zou ik?!!" snauwde Gewicht, "Ik ben wel een ijzeren gewicht hé!! Besef jij wel hoe hard ik ben?!". Tros keek zwijgend toe. "Het is gewoon dat ... Dat ik, nu ik jou bij me heb, dus nog altijd niet kan vliegen." Beiden zwegen. "En ik wou het zo graag." zei Gewicht nog stilletjes. Teleurgesteld maakten Gewicht en Tros zich van elkaar los. Gewicht bleef liggen. Tros vloog traagjes, zigzaggend weg en dacht aan wat IJzeren Staaf zo lang geleden had gezegd: dat je het niet weet en telkens moet proberen.