maandag 17 september 2007

Een rondje dierenleed?

Een visje in zoet, zout of sterk water?


Wat een namiddag! 'k Moet jullie met een lange, lange post belasten.


Ondanks ik op voorhand wist, dat het zwaar voor me zou zijn, had ik mezelf voorgenomen naar een opendeurdag te gaan van het dierenasiel in het Gentse Citadelpark. 'k Wilde niet vluchten voor die realiteit. Dus, ik met de bus naar 't park.

Voor 't eerst kocht ik mijn ticketje met de gsm. Dus kreeg ik er deze keer geen visitekaartje bij (zie 'Biljet van de Lijn'). Tot 31 oktober is het eerste ticket dat je via gsm betaalt gratis. Dat was mijne 'zondag'.


Omwille van een onvrijwille omweg kwam ik bij het park aan op 't kruispunt van de Filips Van Marnixstraat met de Koning Leopold II-laan. Wie de omgeving kent, weet dat wie aan die kant per se het park in wil een flink talud moet beklimmen. Er was een deel zodanig afgesleten, dat er zelfs geen gras meer op groeide. Dan moest het toch goed te doen zijn? Nu moet je weten, dat ik hoogtevrees heb vanaf het moment dat ik niets meer heb om me – desnoods met één vinger – aan vast te klampen. Halverwege die helling realiseerde ik me de mogelijkheid dat ik stuik achterover zou vallen als ik mijn bovenlichaam niet dicht genoeg bij de grond hield. En dat stelde me absoluut niet op mijn gemak. Mijn bottines kregen amper grip op de bodem en even overwoog ik om terug naar beneden te klauteren. Toen ik in de diepte keek, wist ik dat ik dat enkel schuivend op mijn gat zou durven.

En ik wou nog naar 't asiel. Dus moest ik verder. Ik liet me zo dicht mogelijk bij de grond zakken en bracht mezelf met kleine, uiterst voorzichtige passen net boven een boompje. “Als ik dan op handen en voeten naar beneden schuif, is het toch maar tot tegen dat boompje.” dacht ik. Doembeelden uit de turnlessen op de evenwichtsbalk en hoe het zou voelen als ik bij een mislukte kattensprong met mijn ... op de balk terecht zou komen, drongen zich meteen op. Gelukkig waren er uit de grond stekende boomwortels van bij de plek waar ik dom, bang, maar toch ook moedig stond te wezen tot helemaal boven. Nadien was ik enerzijds trots en anderzijds kwaad op mezelf.


Toen moest ik het park doorkruisen. Het eerste paadje dat ik inliep, gaf uit op een bankje met twee keuvelende jonge mannen. Ik erger me aan vooroordelen en vroeg me toch direct af, of dat homo's waren die in het park hun ding kwamen doen. Daarvoor is 't Citadelpark het best gekend.

Om bij het asiel te komen, kon ik een rotstrap nemen of een lang pad af wandelen. Mmja ... 'k Had het talud al bedwongen, dus waarom de spookachtige trap niet? Elke stap die ik zette, steunde ik met minstens één hand op een rotsblok aan de zijkant. En dan moest ik nog met mijn voeten de bladeren van de treden vegen, om hem effectief veilig begaanbaar te maken. Er was geen levende ziel in de omtrek te bespeuren. “Als ik hier naar beneden kletter, kan ik hier lang liggen.” was de gedachte die mij het ei in mijn gat deed ophouden. De voorlaatste twee treden waren mooi breed en niet met loof bedekt, dus haalde ik diep adem en genoot van twee normale stappen. De laatste, gevaarlijke stap zocht ik toch maar weer houvast bij een steen. 'k Was al zo ver geraakt. Zou 't niet zonde geweest zijn als ik daar nog onderuit was gegaan?


Plots hoorde ik muziek. 'k Wilde uit nieuwsgierigheid mijn pas versnellen, maar ik moest opletten om geen kramp in mijn bovenbeenspieren te krijgen. Van dat simpel klimmetje! Wat verder gewandeld, zag ik een dranktent en springkasteel. “Zou hier nog iets anders te doen zijn?” vroeg ik mij af. Toch niet. Ik was bij het asiel aangekomen en het zag eruit als een stukje uit een Vlaamse dorpskermis. De tent was versierd met kleurrijke ballonnen en vlaggetjes, het bier en de snacks werden gretig verteerd en 'Tom Jones' zong lekker luid de ene hit na de andere. Ik had het gevonden en het was hier feest!! 't Leek nog gezellig eigenlijk.


Een keer het opvangcentrum binnen, sloeg de ellende me nog harder in mijn gezicht dan ik had verwacht. Elke hond achter de tralies in zijn kooi van één op drie meter en alle hokken volzet. Natuurlijk had ik het ooit al wel gezien op t.v. Toch was dit erger. Mensen passeerden de rennen alsof ze voorbij marktkraampjes liepen. Ik was gegeneerd daar in feite bij te horen en voelde me een eerste klas ramptoerist. De ene na de andere Staffordshire stond daar te wachten, in aantal op de voet gevolgd door Jack Russell-terriers. Beide rassen zijn vast slachtoffer geworden van hun populariteit.

Eén Jack liep vlak bij zijn deur constant rondjes. Ik geef even een stukje conversatie mee, dat ik heb opgevangen.

Kind (ong. 8 jaar - lachend):”Kijk mama! Dat hondje draait altijd maar in rondjes.”
Mama (ook lachend):”Ja dat zou zeker graag zat worden hé.”
Kom je daarvoor met je kind naar een asiel???? Om het niets of niets of niets de kloten bij te brengen, dat ik het zo lelijk moet zeggen? En ik moet het lelijk zeggen, want ik moet lelijke woorden gebruiken als ik kwaad ben! Om dat mens niet den 'djoef van de week' te willen verkopen.


Bij de katten (telkens met een vijftal in één grote ruimte) hoorde ik dan weer 't volgende.
Dhr. X (na het bekijken van één van hen):”Katten zijn toch verwaande beesten ze.”

Misschien komt het inderdaad zelden voor dat mensen zowel honden als katten kunnen appreciëren. Ik ben alleszins één van hen. Ook al kom je naar de opendeurdag omdat je het toch zo erg vindt voor de honden, dan ga je toch nog het leed van die katten niet ontkennen? Misschien was hij enkel mee om zijn dierenvriendin een plezier te doen.


Als je lid wordt, wat tien euro per jaar kost, mag je de honden uit wandelen nemen. Eens terug op de pensenkermis, bedacht ik dat ze nu vast wandelaars op overschot hebben. Dat is natuurlijk fijn. “Hoeveel zullen er nog komen opdagen eens het elke dag pijpenstelen regent of vriest?” vroeg ik me ook meteen af. 'k Weet dat ik er met mijn woefies al tegenop zie, als 't niet ophoudt met regenen.



Bij mijn vlucht uit het park, zag ik dat de plantentuin van de Universiteit van Gent open was. Ter gelegenheid van Aquariana 2007, een aquarium en terrariumtentoonstelling. Tegelijkertijd kon je ook de tentoonstelling 'Verzamelkoorts : ziekte of zegen?' in het Museum voor Dierkunde van de Universiteit Gent bekijken.


Ik was de plantentuin al zo vaak gepasseerd zonder er binnen te kunnen, dat ik deze kans niet wou laten liggen. De tuin was mooi (zoals verwacht) “en aquariums en terrariums zijn dat ook” dacht ik en ging naar binnen. Mmmm ... Ik genoot met volle teugen van het kuieren voorbij de grote, prachtig natuurlijk ingerichte visverblijven en hield halt aan elk terrarium om te zoeken naar de bewoner, om dan opgetogen te lachen als ik hem had kunnen vinden. Ook al wilde ik de volledige tentoonstellingen nog kunnen bekijken, moest ik de kruipende beestjes telkens even zeer geboeid observeren.


Omdat het gros van de mensen nu eenmaal overal wilt kunnen eten, drinken en volks vertier zoekt, was ook hier een cafetaria ingericht met, geloof het of niet, een heuse tombola!! Kermis, deel 2 dus! Maar op deze foor stond een heel leuke attractie: een excellente stereomicroscoop!! Daarmee kon je naar hele, hele kleine kreeftjes in een potje water kijken. Er stond vermeld dat het levend visvoer is, dat men zelf kan kweken. Dat kon best en dat was zeer nuttig, maar ik wilde kijken, ik wilde het zien! En ooooh ja!!! ... Die stereomicroscoop was enkele minuten de mijne.


Het bezoek aan het Museum voor Dierkunde was ontzettend boeiend en creepy tegelijkertijd.


Ik gluurde in ontzettend veel potten sterk water, want ook dat wou 'k natuurlijk weer liefst allemáál zien. Na een half uur turen, moest ik er voorbij wandelen en mezelf tevreden stellen met een glimp. Het was te veel om alles op te nemen.



Bij de opgezette zoogdieren en vogels of stukken ervan, viel het me vooral op hoe lelijk die waren. Hoe alles behalve levensecht, hoe miserabel zo'n opgevuld vel er uit ziet.

Het klinkt misschien vreemd, maar ik vond de skeletten nog het minst akelig.


Een lichte, maar op de lange duur toch misselijk makende geur van vermoedelijk formol en verstorven huiden dwong me even voor het sluitingsuur al naar buiten te gaan.



't Was tof.
Die tentoonstellingen waren een onverwachte meevaller.


En dan besefte ik hoe rap ik de miserie van die beesten in het asiel weer van me had afgeschud.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen